COLUMN(PIE)
home
gedichtjes
kinderversjes
verhalen
column(pie)
 
   
 

De koffer (nieuw)
Hakjes

Dwaze daas
Snelle Jelles
Warenhuisgespuis

Mo-bie-le-tjes

Stink stam
Noten lezen

Lenig

Kluisjes
Werkster
Cafeetje
Rechtse hoek

 

Ik schrijf wel eens vaker. Maar dit soort column (pie's) zijn nieuw voor mij. Ik probeer er regelmatig eentje op mijn site te zetten al is het alleen om te kijken of het me lukt elke week eentje te schrijven.
Ik sta open voor tips en reacties!
Zie gastenboek
     
   
 
 

De koffer

Ik had te weinig tijd om te zoeken naar een lift. Verderop was een trap. Mijn koffer op wieltjes gleed achter me aan. Maar hier moest ik tillen. Hoewel? Ik bespeurde een soort rail. Zo’n zelfde rail als bij de Ikea waar ik ook altijd een vreemd gevoel van in mijn buik krijg als ik een volle kar (of kinderwagen!) naar boven en naar beneden zie glibberen. Ik zette mijn koffer precies volgens het plaatje op de rail en waarachtig. Hij hobbelde langzaam naar boven. Ik liep er behoedzaam achter aan met mijn hand er boven. Mijn koffer was een gladde jongen, vandaar. Maar het ging perfect dus tja. Vol zelfvertrouwen plaatste ik de koffer op zo’n zelfde rail naar beneden.

Wederom volgens het plaatje. Ik had mijn koffer nog maar net op de rail geplaatst of daar glipte hij mij tot mijn ontzetting uit mijn handen. Hij stortte naar beneden. Met een enorme vaart raasde hij langs alle traplopende mensen. Ik stond helemaal ontdaan boven aan de trap. Mijn hand voor mijn mond. Aan het eind van de rail gleed een zware tas. Het meisje van de tas hield haar hand er behoedzaam boven. Net voor ze de tas van de rail wilde grissen botste mijn zwarte gevaarte er met een knal tegen aan. Haar tas maakte een sprong en een duikeling. Een passerende heer struikelde van schrik. De mensen op de trap draaiden allemaal tegelijk hun hoofden om. ‘Sorry!’ gebaarde ik. De heer werd razend op het meisje van de tas. ‘Maar het is niet míjn schuld!’ riep het meisje. ‘Het is de schuld van dié mevrouw!’ en ze wees naar mij. Bovenaan de trap. Bedeesd kwam ik naar beneden en inspecteerde mijn koffer. ‘Wat een geweldig ding!’ dacht ik blij. Geen kras of scheurtje te bekennen.

Hakjes

Wat ben je chique!’ wijst Riek. ‘Hakjes! Kun je daar wel op lopen in Amsterdam?’ ‘Tuurlijk!’

Het Informatie Centrum gelegen in een prachtig park bevindt zich op loopafstand van het station. Dat scheelt.
Terwijl ik van hot naar her word gestuurd trip ik inmiddels al 45 minuten. Au, mijn voeten! ‘Niet aan denken nu, het kan niet ver meer zijn’, spreek ik mezelf toe. Park? Welk park! Nergens een park. Wel kilometers aaneengeschakelde huizen. Twee heren heffen een glas champagne in het zonnetje. Ze reiken hun halzen al ver voor ik hen passeer. Ik versnel mijn pas. Hoe eerder ik daar voorbij ben, hoe liever. Pas aan het eind van de straat ontdek ik een verlaten bouwkeet maar geen Informatie Centrum. Ik trip na enige aarzeling terug. De heren draaien hun verbaasde hoofden. Daar komt ze weer aan, klikkerdeklak. De echo weerkaatst het geluid. Op de hoek wijst een vrouw me terug. Achter de verlaten bouwkeet moet zich nog een bouwkeet bevinden! ‘Ik zou het maar even checken als ik U was’, zegt ze. Tja. Hoe moet ik ook alweer het ene been voor het andere zetten?
De heren bieden mij een glas champagne aan. Nou nee, dankuwel. Uiteindelijk word ik in de desbetreffende bouwkeet voorzien van informatie.
Buiten beplak ik mijn voeten met blaarpleisters. De tranen springen in mijn ogen van de pijn. Ik wurm ze in het ellendige schoeisel en bedenk dat ik nog maar een keer langs die twee nieuwsgierige heren hoef. Ik besluit waardig voorbij te trippen en maak ik er een leuk ritme van. De paden op, de lanen in. De heren zwaaien mij vanuit de verte uitbundig tegemoet.
‘Wat enig u weer te zien!’ roept een van hen. ‘Maar,’ zegt de ander, ‘wat loopt u toch driftig!’

   
       
   

Dwaze daas

Zodra ze mijn lichaamsgeur in de smiezen krijgt is ze niet meer bij me weg te slaan. Wild en bloeddorstig danst ze om me heen. Ze bijt me venijnig in mijn hals. En in mijn arm. Op mijn rug. Ik doe alles, alles om van haar af te komen maar kilometers verderop danst ze nog steeds achter me aan. Op mijn huid verschijnen grote rode vlekken. Weg, weg!’ gil ik en wapper links en rechts met mijn shirt. De kano slaat nog net niet om.‘Ssssst!’ waarschuwt G. die mij vanuit zijn eigen kano gadeslaat. ‘Iedereen hoort je!’ (Het water draagt...) Ik probeer de daas een mep te geven met mijn peddel en kijk misprijzend naar G. in zijn bootje. Wat weet hij er nu van. Die dikke dazen, die parasieten, doen het alleen bij mij! Net nu ik probeer eindelijk eens egaal te bruinen.

Vreemd toch. Op reis word ik regelmatig lekgeprikt. Niet alleen op armen en benen maar ook onder mijn voeten, tussen mijn vingers en op mijn oogleden. Mijn medereizigers vertonen dan geen enkel bultje. Jaren geleden zette ik een stap in het huis van vriendin. Onmiddellijk werden mijn vakantiebenen besprongen door honderden vlooien. Vriendin bleef zelf ongedeerd.

Ik roei achter G. aan naar het vaste land. Daar klauter ik via zijn uitgestoken hand op de wal. Au! Brandnetels. Het zweet breekt me uit want zij is er nog steeds. Die dwaze daas. Ze cirkelt om me heen terwijl ze af en toe een duikvlucht maakt om te bijten. Ik ben haar delicatesse.
‘Draai je eens om?’ vraagt G. onschuldig. Hij mept me vol (pets!) op mijn billen. Ook nog een blauwe bil. Welja! Maar... tevens een dode daas!
‘Ik greep mijn kans,’ verklaarde G. naderhand. ‘Ze zat daar juist even rustig.’

Snelle Jelles

Daar heb je er weer zo een, dacht ik terwijl ik het trappetje afdaalde om mijn baantjes te trekken. Er crawlde een onverstoorbaar figuur van de ene naar de andere kant. Compleet met badmuts en brilletje. Je hebt ze natuurlijk ook zonder badmuts. Of zonder brilletje. Maar ik herken ze direct. Ik noem ze snelle Jelles. Dit zijn de meestal mannelijke en soms vrouwelijke personen die niet op of om kijken. Ze gaan als een speer recht op hun doel af. De overkant. Ze nemen -hoe druk het ook is- een hele baan in beslag. Want iedereen zwemt om deze heren of dames heen, is me opgevallen. Ook ik. Tot die dag. Het was druk in het zwembad. Hutjemutje. Aan de ene kant van het zwembad gleed de ene Jelle. En aan de overkant schoot de andere. Tussen hen in spartelde de rest. Wij met z’n allen. We botsten tegen elkaar op en zwommen om elkaar heen. Alsof het de gewoonste zaak van de wereld was lieten we de banen waar de snelle Jelles zwommen zo goed als vrij.

‘Waarom?’ dacht ik plotseling. Ik heb mijn zwemkaartje gekocht. Ik heb net zoveel recht op zwembadwater als snelle Jelle. Waarom wijk ik dan? Zo’n Jelle kan toch ook wel eens een ommetje maken? Ik begon rechtdoor te zwemmen en keek strak naar de overkant. Er was een flinke hoeveelheid moed voor nodig. Daar kwam snelle Jelle met een enorme vaart. Het water golfde en schuimde om hem heen. Ik deed alsof ik hem niet zag en zwom mijn fiere schoolslag. Zou snelle Jelle... zou snelle Jelle om mij heen? Ik ontmoette zijn ogen achter brilletjesplastic voor hij dook. Ik voelde iets glijden. Wat was dat? Blub! Hij zwom onder mij door. Ik had het kunnen weten. Snelle Jelles wijken niet.

 
     

Warenhuisgespuis

Ik vraag me wel eens af hoe andere mensen dat doen. Een servies kopen bij V&D bijvoorbeeld. Nergens een winkelmandje te bekennen. Ooit kreeg ik een soort slappe tas mee die zichzelf openvouwde toen ik hem even op de grond zette. Het servies rinkeldekinkelde over de vloer.

Bij de kassa pakken ze de cadeautjes mooi in. Met strikje en al. Nee, niet de spullen van mij maar van de zesde klant voor mij. Nu zeggen ze wel eens dat het klantvriendelijk is zo’n papiertje er om heen maar hoe klantonvriendelijk is dit voor de mensen die met handen vol spullen in de rij staan?
De beveiligingsagent houdt iedereen in de gaten. Mij dus ook. Het idee dat iemand misschien denkt dat ik iets pik maakt dat ik niet meer ontspannen kan rondkijken. En wat doen andere mensen als een te luide stem elk kwartier dezelfde reclameboodschappen de winkel ingalmt?
Ik maak altijd dat ik weg kom.

Tot slot het zelfbedieningsrestaurant! Hoe doen anderen dat als ze iets willen drinken? Waar zetten zij het dienblad neer om een sapje in te schenken? Tussen de lukraak neergegooide sinaasappelen vind ik amper een vrij plekje. En dan die sapkan. Als ik het dienblad met mijn ene hand vast houd, moet ik met mijn andere hand inschenken in de hoop dat het roerstaafje er niet uit valt of dat het dienblad niet uit mijn hand glipt. Om over het opscheppen van een salade maar niet te spreken. En de tas? Die van mij glijdt dan naar voren. Houwen en keren. Als ik dan eindelijk in de rij bij de kassa sta hoor ik de kassa juffrouw vragen aan de vierde klant voor mij: ‘Heeft U er ook vijftien eurocent bij?’ ‘Ja, ik zal even zoeken...’ ‘Doe maar rustig aan hoor...’

Mo-bie-le-tjes

Geen product wordt zo vaak opnieuw uitgevonden als de mobiele telefoon. Een tijd geleden kon je er alleen mee bellen en sms-en, nu zijn het echte fashionitems geworden. En je ziet ze amper. Zo klein zijn ze geworden. Dat leidt soms tot wonderlijke taferelen. Zo werd ik eens ingehaald door een meisje. ‘Hee hallo!’ riep het meisje. Ik zei ‘hallo’ terug maar ze had het niet tegen mij. Ze riep het tegen haar mo-bie-le-tje. Van heren die al wandelend in ‘zichzelf’ praten kijk ik al niet eens meer op. Mijn mo-bie-le-tje is oud. Maar hij doet het. Punt. Ik heb geen grote handen maar voor mij zijn die piep piepkleine toetsjes zeer onhandig. Vandaar. Toch schaam ik me wel eens als ik in gezelschap moet bellen en mijn grote grijze tevoorschijn tover. ‘Hee, heb jij je gewone telefoon mee?’ vroeg een neefje.

Er kan dagelijks gekozen worden uit diverse ringtones, afhankelijk van de stemming. Geweldig. Maar ik liep eens achter een stoere bink met een huilende baby onder zijn jas. Hartverscheurend. Er ging van alles door me heen. Dat wil je niet weten. Het gehuil hield abrupt op. ‘Met Freek!’ zei de man. ‘Goedemorgen!’

Eenmaal aan het bellen vergeten mensen vaak de buitenwereld.
Heel apart. Ze gaan er totaal in op. Neem die keurige mevrouw. Ze was druk aan het praten en gebaren terwijl ze telkens hetzelfde rondje om de speeltuin liep. Ze nam grotere passen en begon ook te stampvoeten. Midden op straat. Ze liep te stampvoeten en kleurde zo rood als een kreeft. Voor mijn raam. Pas toen ze haar telefoontje in haar tasje wierp keek ze verwildert om zich heen. Ze trok haar jurk glad, en nam haar keurige loopje weer aan.

 

Stink stam

Laatst zat ik in de trein tegenover een zwerver. Niks mis mee natuurlijk maar hij stonk nogal. Toen hij ronkend in slaap viel ging ik snel ergens anders zitten.

Mijn gedachten dwaalden af. Zo dacht ik aan een sollici ‘tante’. Ze had waarschijnlijk het verkeerde (nylon) truitje aan... kan gebeuren. Maar ze stonk zo vreselijk naar zweet dat het hele kantoorgebouw moest worden gelucht toen ze weg was. Ik dacht ook aan de ‘Katuma’s.’ Over hen had ik een mooi artikel gelezen in het Algemeen Lachblad. De ‘Katuma’s’ struinen al honderden jaren in totale afzondering op deze aardbol rond. Omdat ze zo stinken! Ze verspreiden zelfs als ze zich gewassen hebben een afschuwelijke putlucht. Het zijn de leden van een nieuw ontdekte stam in Papoea Nieuw Guinea. Geen enkel normaal ruikend mens houdt het langer dan drie minuten in hun omgeving uit. Vriend noch vijand nadert deze ‘Kamuta’ stam. Logisch. Het is zelfs zo dat de stamleden onpasselijk worden van elkaar! De stinkers hadden hun eigen neusgaten namelijk afgedicht met stukken bamboe of zwijnentanden. Een paar moedige onderzoekers liepen letterlijk hun neus achterna om uit te vinden waar de kwalijke lucht vandaan kwam. In een dorpje troffen ze enkele wonderlijk ogende stamleden. De onderzoekers renden echter weg. Kokhalzend! Maar ze kwamen een week later terug gewapend met gasmaskers. Het bleek een sterk staaltje van evolutie-leer te zijn. Omdat niemand het waagde in de buurt te komen vermengden de Kamuta leden zich alleen maar met elkaar. Zo werd deze stink-eigenschap van generatie op generatie alleen maar erger.

Ik wierp een blik op de zwerver die prinsheerlijk in zijn ruimte lag te boeren. Wijdbeens. Zijn geur bereikte zelfs vijf banken verderop mijn neusgaten. Ik glimlachte terwijl ik een raampje opendraaide. Je zult een ‘Kamuta’ in de trein treffen. Alles beter dan dat.

Noten lezen.

Eigenlijk kan ik geen noten lezen. ‘Kan ze wel meekomen op school?’ vroeg Pietje Piano aan mijn moeder. ‘Ik snap het niet. Ze kan de noten wel spelen maar niet benoemen!’ Pietje Piano reed in een klein wit sportwagentje met een open dakje. Ze droeg opzichtige cape’s en haar lange grijze haren wapperden in de wind. Bij de thee dronk ze een glas water en wij zorgden er altijd voor dat we nooit uit dat glas dronken. Maar nu over die noten. Ik kan ze nog steeds niet uit elkaar houden. ‘Je kunt het wel maar je wilt het niet,’ zegt mijn huidige piano leraar.

Ik heb zussen. Wij deelden een uur pianoles en leerden dezelfde liedjes. Ik liet het ‘werk’ (het leren van de noten) aan hen over en speelde ze na. Eigenlijk heel logisch. Maar nu moet ik het alleen doen! De huidige techniek staat voor niets. Ik neem dus alles op.

Toch wil ik ze eens onder de knie krijgen. Die noten. ‘Zing maar mee op maat,’ galmde de stem van Pietje Piano die de g niet kon zeggen en daarom de ‘achtste’ noot als de ‘akste’ noot uitsprak. Maar ik kon niet zingen. ‘Tik maar mee op het ritme,’ hoorde ik vorige maand mijn huidige leraar zeggen. Hij trommelde enthousiast op zijn knie. Ik zit vrij laag op een krukje. En ik had -zelfs op mijn leeftijd- een kort spijkerrokje aan. Toen ik ging zitten in dat rokje trok die ook nog helemaal op. Dus ik dacht, ‘nee, dat doe ik niet. Ik tik niet op mijn blote been...’

Het lukt me uiteindelijk. Een muziekstuk onder de knie te krijgen. Het kost wat tijd maar als het eenmaal in mijn hoofd zit gaat het er ook niet meer uit. Evenals die ‘akste’ noot.

 
Lenig

Hij komt op de vreemdste momenten. Het zijn meestal een-beetje-schrik momenten. Hij komt namelijk als ik nog lig te slapen of mijn fitness oefeningen doe. Hij duikt ook wel eens op terwijl ik geconcentreerd achter mijn computer zit te werken. Wie dan? De glazenwasser. Ik hoor vooraf al wat vreemde geluiden maar die negeer ik dan. Ik hoor wel vaker geluiden. Van de buren bijvoorbeeld of van kinderen op straat. Maar dan zie ik een gezicht opdoemen met meteen een gespierde arm er achter aan. Heel behendig gaat die arm -tikketik - heen en weer met de trekker. Water plenst. Nu heb ik veel ramen. Mijn bureau staat in een nis achter vier van deze ramen.
Terwijl de glazenwasser met de ruiten aan de zijkant van mijn kamer bezig is voel ik al neigingen om te vluchten. Want achter het derde, vierde, vijfde en zesde raam zit ik. Bij elk raam gebeurt hetzelfde: Eerst verplaatst hij de ladder. Boink!Klets! Dan komen zijn krullen. Zijn ogen, neus. kin en die arm. Als hij voor mijn neus opduikt zwaai ik even. Wel zo fatsoenlijk. Maar bij het volgende raam hoef ik niet nogmaals te zwaaien. Bij de overige ramen zit ik meestal voorover gebogen, verdiept in diverse papieren. Pas als hij mijn nis voorbij is kan ik weer opgelucht ademhalen en overeind komen.

Glazenwassers zijn lenig. Dat moet wel. Ze moeten bij de onmogelijkste hoekjes kunnen komen.
In Amsterdam balanceerde de glazenwasser met een mega mega uitrekbare wisser op het dak van een autobusje. Dit gebeurde naast de snelweg. Glazenwassers hangen ook wel eens aan kabels. Levensgevaarlijk! Die van mij klautert over de dakgoot met een emmer sop en wurmt zich tussen de bladeren van de platanen om zijn werk te kunnen doen.

Zal ik hem dan toch eens een kopje koffie aanbieden?

Kluisjes

Dit overkwam me vorige week in het zwembad. Toen ik mijn tas uit mijn kluisje wilde halen bleek dit kluisje niet meer te bestaan. De ‘klusjesman’ (of kluisjesman?) die ik even daarvoor wel had zien rondstruinen bleek een ordinaire dief. Daar sta je dan in je badpakje!

Bij de sportschool kun je met persoonlijke sleutel inloggen en een genummerd kluisje activeren. Een veilig gevoel! Maar...een dame op zwarte gympen was haar nummer vergeten. Paniek!
Met een loper werden een voor een de kluisjes gecheckt. ‘Is het deze tas?’ ‘Nee!’ ‘Deze dan?’... Uiteindelijk vroeg de balie medewerkster, ‘weet u zeker dat uw tas aan deze kant staat?’ ‘Absoluut!’ riep de vrouw, ‘Heel, heel zeker!’ Ze dook ineen op het bankje.
De medewerkster opende alle tachtig kastjes aan de rechterkant. ‘Hij is weg!’ treurde de vrouw. ‘Gestolen! Weg! Huissleutels, pasjes, autosleutels...’ ‘en ik weet het heel zeker! Haar schouders schokten. Hij stond hier. Aan deze kant! Bel de politie maar...’

‘Hier ook al?’ schrok ik terwijl ik onder de douche vandaan kwam en flarden hoge woorden opving.
Door de consternatie bleek mijn kluisje gedeactiveerd. Daar stond ik weer. Dit keer niet eens in mijn badpakje. Ik moest wachten. Ook andere aankleeddames moesten wachten op de balie medewerkster. Zij rende door het gebouw op zoek naar versterking. Gewapend met een meneer in trainingspak struikelde ze weer binnen. ‘Moeten al die kastjes weer handmatig geactiveerd worden?’ vroeg de verbolgen vrouw. Ze keek schichtig. ‘Alle kastjes handmatig!’ beaamde het trainingspak. De balie medewerkster begon met het openen van de kluisjes aan de linkerzijde. ‘We nemen het zekere voor het onzekere.’ Ze wees naar de inhoud. ‘Is het deze tas?’ ‘Nee!’ ‘Deze dan...?’ ‘Ook niet!’ Bij het zoveelste kluisje veerde de vrouw plotseling energiek overeind. ‘Jaaaa, dat is hem!’ riep ze blij.

 
Werkster

Je hebt ze natuurlijk in soorten en maten. Werksters. Die van mij had maatje XXL. ‘Dit is topsport’ mopperde ze vaak onder het dweilen. Zweetdruppeltjes parelden op haar voorhoofd. Ze had ook hoogtevrees. Mijn werkster. Als ze op een trappetje stond werd ze erg duizelig. Vandaar dat ze had besloten alleen de onderste helft van de keuken of badkamertegels ‘schoon’ te maken. Met prachtige vegen. Ik kon altijd een perfecte scheidingslijn ontdekken. Ze was reuze gezellig. Dat zeker. Koffiedrinken kon ze als de beste. Koekje erbij...Vaak vergaten we de tijd of vergat ik de tijd en stond mijn werkster gedecideerd op: ‘Ik moet weer aan de slag!’ Na een kwartiertje ging ze dan wel weer even (hè,hè) zitten, want (poe,poe) haar rug en zo...Ik betrapte haar regelmatig met mijn Viva en haar voeten op de bank.


Zo kwam het dat ik mijn nieuwe hobby ontwikkelde: Poetsen. Ik keek naar ‘Hoe schoon is jouw huis?’ tot ‘Superhuisvrouw’ en zorgde ervoor op de hoogte te blijven van de nieuwste snufjes. Het zinnetje: ‘Hoe opgeruimder je huis, hoe opgeruimder je hoofd,’ kreeg voor mij een magische betekenis. Volgens de Feng Shui zou ik bovendien na een grondige schoonmaak alle ramen tegen elkaar open moeten zetten. Zou ik met een belletje in de hoekjes moeten rinkelen en in witte kledij bij de open voordeur gaan staan. Dit om alle negatieve energie uit het huis te verbannen. Fascinerend!


Op een dag trof ik mijn werkster aan in de badkamer. Ze sopte de douche-tegeltjes. De onderste helft. Vanwege haar enorme omvang leek het alsof ze de vierkante vorm van de cabine had aangenomen. Alsof ze vacuüm gezogen was. Dat was de druppel, kan ik je melden. Ik heb haar vriendelijk ontslagen. Mijn werkster. Opgeruimd staat immers netjes. Nu alleen nog even rinkelen.

Cafeetje

Ze zat in een cafeetje. De dame met het koffertje. Tegenover haar hing een man met een wit gezicht. Twee dunne grijze vlechtjes bungelden langs zijn wangen. Hij praatte zo hard dat ik hem achterin het cafeetje kon verstaan. Misschien was dat ook de bedoeling hoor want hij keek regelmatig even om. De man leunde voorover naar de dame en ik meende dat ik haar telkens een beetje meer achteruit zag deinzen want die vlechtjes...Toch dronk en klonk ze samen met de man glaasje na glaasje. Het was rustig totdat zeven jonge meisjes het cafeetje binnen dansten gevolgd door vele andere gasten. De ogen van de barman straalden terwijl hij de muziek harder zette. ‘Abba’. Hij schonk op het ritme de drankjes voor de zeven meisjes in. ‘Girls Night Out,’ stond er op hun shirts. De girls bewogen hun lippen en lange haren mee op de muziek. Twee van hen zaten een beetje achteraf. De anderen namen fotootjes van elkaar en leken onbevangen. De dame met het koffertje deed pogingen om op te staan maar de man met de vlechtjes boog zich nog verder voorover. Zijn stem schalde boven de muziek uit. Toen stapte er een mannetje binnen. Hij droeg een zilveren pak, een zilveren gezicht en een zilveren hoedje. Zo’n mannetje hoort normaliter thuis op een pilaar. Stokstijf. Midden op de Dam.
Eindelijk was het de dame met het koffertje gelukt om op te staan. Ietwat onvast. Ze wankelde langs de man met de grijze vlechtjes. ‘Moet jij een muntje?’ vroeg de man. ‘Nee hoor, ik hoef geen muntje,’ zei de dame. ‘Jawel,’ drong de man aan,‘jij moet wel een muntje!’ De vrouw liep resoluut naar de sigaretten automaat. ‘Laat ze het maar ontdekken!’ riep de man met de vlechtjes tegen het zilveren mannetje. Hij keek de dame na. ‘Ga het maar ontdekken!’
 
 

Rechtse hoek

Bij de ingang van de sporthal zie ik de fiets al staan. Een speciale brede fiets vol toeters en bellen en een enorme vlag. Er is een kratje achterop gebonden met daarin- zie ik- een rode handdoek plus een plastic zakje vol boterhammen. Zijn naam is met grote zwarte letters op een plank geschilderd. Vandaar dat ik weet dat hij Ronald heet. En dat kan er maar eentje zijn. In de sportzaal loopt hij met slingerende bewegingen van het ene apparaat naar het andere. Hij traint fanatiek. Ik hoor hem puffen. Hij vindt het ook geweldig om te voetballen met de buikspierbal. Sommige instructeurs trappen tot zijn grote plezier een bal(letje mee). Het roeiapparaat is daarna favoriet. Hij is er niet vanaf te slaan. Terwijl ik -naast hem- op gang probeer te komen drupt het zweet van zijn voorhoofd. Hij wenkt me met zijn wenkbrauwen. ‘Ja!’ roept hij luid. ‘Volgt U maar!’
‘Zo,’ denk ik terwijl ik hem als een gek zie sprinten, ‘hij heeft wel humor.’ Ik werp een toevallige blik op zijn metertje. ‘Je bent al dertig minuten aan het roeien’, wijs ik. Hij stopt. ‘Ik ken m mijn eigen g grenzen n niet’, legt hij uit. ‘Vandaar d dat ik een h hartslagmmeter draag. Die waarschuwt mij als ik t tever ga. ‘En anders waarschuwt deze buurvrouw je wel’ lach ik. ‘Ja, ik d dacht al w wat kijkt die m mevrouw mij dreigend aan...straks k krijg ik nog een rechtse hoek!’ Een rechtste hoek? Nooit van gehoord. Een boksterm of zo? Ronald buigt zich naar me toe en knijpt me in mijn rechter arm. Waarschijnlijk om een beginnend spierballetje te voelen?
‘K kun je wel!’ vervolgd hij verontwaardigd, 'een half k kreupele invalide een rechtste hoek geven!’